VAL-studiedag 2015

STUDIEDAG | JOURNÉE D’ÉTUDES – KU LEUVEN – 11.12.2015

Generische hybriditeit in de literatuur | Hybridités génériques en régime littéraire

 

NL De VAL-studiedagen behandelen van oudsher algemeen literatuurwetenschappelijke onderwerpen. Zowel methodologische als thematisch- of periodegebonden topics komen er aan bod. De VAL-studiedag van 2015 wordt georganiseerd door Reindert Dhondt en David Martens en vindt plaats op vrijdag 11 december aan de Faculteit Letteren van de KU Leuven, Blijde Inkomststraat 21, 3000 Leuven.

U kunt zich aanmelden per e-mail () tot 27 november 2015. Wie de studiedag wil bijwonen en nog geen VAL-lid is, wordt gevraagd lid te worden van de VAL. Alle informatie over lidmaatschap kan u hier vinden: www.val.ugent.be/VAL.   

 

FR Les journées d’études de la VAL abordent traditionnellement une grande diversité de sujets relatifs à la théorie de la littérature. Des thèmes méthodologiques et thématiques, aussi bien que des thèmes liés à une période spécifique y sont traités. L’édition de 2015 est organisée par Reindert Dhondt et David Martens et aura lieu le vendredi 11 décembre à la Faculté des Lettres de la KU Leuven, Blijde Inkomststraat 21, 3000 Leuven.

Nous vous invitons à vous inscrire par mail () avant le 27 de novembre 2015. Les personnes qui souhaiteraient assister à la journée mais qui ne seraient pas encore membres de la VAL sont priés d’adhérer à l’association. Pour toute information concernant l’affiliation, veuillez consulter le site web suivant : www.val.ugent.be/VAL.

 

Thema | Argument

NL De evolutie van literaire genres kan gezien worden als een constante afwisseling tussen homogeniteit en hybriditeit, tussen een eerder statisch genrebegrip en nadruk op de veranderlijkheid van genrecategorieën en -grenzen. Sinds de Duitse romantiek zijn de traditionele genreconventies ten prooi gevallen aan de vernieuwingstendens van de moderniteit, die wou breken met de overgeërfde codes van de klassieke retorica. De classificatiedrang daarvan vertaalde zich in een normatief en rigide genresysteem dat vermengingen resoluut van de hand wijst. Vanaf dat moment wordt de literaire productie gekenmerkt door een opeenvolging van nieuwe genres, een niet-aflatende vernieuwing van oude vormen en een discours dat genreoverschrijding juist prijst in plaats van afwijst en zelfs de dood van traditionele genres proclameert. Terwijl het modernisme korte metten maakt met een strikte genreclassificatie, gaat het postmodernisme nog een stap verder door hoge en lage culturele uitingen, fictie en non-fictie, resoluut te vermengen. In de context van de postkoloniale literatuurkritiek krijgt de term hybriditeit bovendien een uitgesproken positieve connotatie, die samenhangt met een anti-essentialistisch idee van identiteit als een veranderlijk en onstabiel gegeven. Daarbij wordt generische hybriditeit doorgaans gezien als een uiting van culturele hybriditeit.

De versplintering van literaire genres lijkt het gevolg te zijn van een wezenlijk kenmerk van het discursieve functioneren van genres. Zo stellen Jean-Michel Adam en Ute Heidmann (2009) voor om de studie van literaire en andere genres niet langer te benaderen vanuit een statisch taxonomisch principe, maar vanuit een dynamisch perspectief dat vertrekt van het concept van genericiteit. Volgens Adam en Heidmann zijn vertogen namelijk altijd schatplichtig aan een of meerdere (al dan niet literaire) genres. Deze recente studies beschouwen hybriditeit dan ook als onlosmakelijk verbonden met de notie van genericiteit.

De steeds wisselende indeling in genres beïnvloedt zowel de productie als de receptie van teksten: door een herkenbare combinatie van thema’s en vormkenmerken stuurt het genre zowel de verwachtingshorizon van lezers als de schrijfmodellen van auteurs (zgn. “genrebewustzijn”). Hoe kunnen we de hybridisering van het literaire discours in kaart brengen? Welke zijn de uitingsvormen? Indien een tekst tot meerdere genres behoort (prozagedicht, poëtische roman, hoorspel, etc.), kan men zich afvragen hoe zich dit vertaalt op discursief niveau. Hoe gaan de auteurs om met een spanning of een onverenigbaarheid tussen genres? Kan een tekst van genre wijzigen in de loop van zijn receptiegeschiedenis? Om welke redenen? Hoe verschuift de grens tussen literaire en niet-literaire genres? Of nog: wat is de axiologische waarde van hybriditeit en hoe verhouden de auteurs en de critici zich ten opzichte van “genre-bending” en “genre-blending”?

Wie de hybriditeit van literaire genres bestudeert, zou dan ook niet alleen oog moet hebben voor plotstructuren, vertelinstantie of de weergave van tijd en ruimte, maar ook voor de ontmoeting met andere vertoogtypes en andere media naast het boek. Vandaar dat drie – vaak onderling afhankelijke – vormen van generische hybridisering voorop gesteld worden tijdens deze studiedag, waarvan het onderwerp zich op het snijvlak bevindt tussen genretheorieën, discoursanalyse en intermediale benaderingen:

(1) Tekstuele hybridisering: wat zijn de tekstuele kenmerken van dergelijke vermengingen? Wat is de specifieke rol van paratekstuele gegevens (titels, voorwoorden, voetnoten, blurb, biografische informatie over de auteur op de achterflap, etc.) in de configuratie van de genrevermenging? Welk metadiscours gaat hiermee gepaard? Plaatsen auteurs en uitgevers deze hybriditeit op de voorgrond (denk aan een expliciete genreaanduiding op de cover) of willen ze die juist maskeren?

(2) Discursieve hybridisering: in welke mate en op welke manier tast de vermenging tussen het literaire vertoog en niet-literaire vertogen (het interview, geschiedschrijving, filosofie, religieuze, politieke, juridische en wetenschappelijke vormen van discours…) het genrebegrip aan? Op welke wijze ontleent een literaire tekst aan genres die die veeleer behoren tot een andere discursief veld? Wat is het effect van de confrontatie van verschillende waardensystemen op het genre? En leidt de transgressie van conventionele genrecategorieën onvermijdelijk tot een verhoogd “dialogisme” en een ontkenning van de “monologische” woordopvatting?

(3) Hybridisering tussen verschillende media: in welke mate wordt het genre van literaire werken bepaald door het medium? Vooral vanaf de negentiende eeuw wordt de literatuur geleidelijk meer beïnvloed door andere publicatievormen naast het boek, zoals de gedrukte pers, radio, cinema, televisie of nieuwe technologieën zoals internet. Momenteel is er sprake van toenemende intermediale genretransformaties en remediaties. Zowel de plastische kunsten als audiovisuele media hebben het ontstaan van specifieke genres in de hand gewerkt (graphic novel, filmessay, cinéroman, etc.), maar hebben ook traditionele genres aangetast (denk aan de impact van het internet op de dagboekliteratuur) aangezien de mengvormen vaak een reflectie bevatten op het functioneren van simultaan en separaat werkende media.

FR L’un des traits les plus saillants de l’histoire de la littérature moderne réside dans le traitement particulier réservé aux genres, tout spécialement dans l’hybridation dont ils ont fait l’objet. Dès le Romantisme allemand, les genres littéraires ont été frappés de plein fouet par la lame de fond d’une modernité désireuse de rompre avec les codes hérités de la tradition et leur vocation à la fois classificatrice et normative, qui se traduisait, notamment, dans un système de genres relativement rigide. À partir de cette époque, et jusqu’à nos jours, la littérature a été marquée par le renouvellement des formes anciennes aussi bien que par l’apparition de nouveaux genres, mais aussi, corollairement, par des réflexions valorisant volontiers l’hybridation et allant, dans certains cas, jusqu’à affirmer la disparition des genres.

Cette dynamique d’éclatement affectant les genres littéraires paraît procéder d’un trait constitutif du fonctionnement discursif des genres. Les travaux de Jean-Michel Adam et Ute Heidmann, en particulier, ont suggéré d’aborder l’étude des genres de discours selon une perspective dynamique fondée sur le concept de généricité, c’est-à-dire sur l’idée selon laquelle les discours participent toujours d’un ou de plusieurs genres, littéraires ou non. Leur dimension générique procèderait dès lors non tant de l’appartenance de tel texte à tel genre que de la façon dont s’agence, pour chaque texte, une participation potentielle à plusieurs genres. Ces recherches récentes posent, en somme, l’hybridité comme élément constitutif de la généricité.

La constante évolution des classifications génériques et des modes de généricité affecte aussi bien la production des textes que leur réception, en déterminant, sur des plans thématiques et formels, leur horizon d’attente. Mais comment rendre compte des modes d’hybridation dont le discours littéraire est le creuset ? Quelles en sont les formes et les enjeux et comment sont-ils traités par ceux qui y sont confrontés ? Quel discours les écrivains tiennent-ils sur l’hybridité ? L’hybridité est-elle présentée comme une valeur ou, au contraire, comme un repoussoir ?Qu’en est-il pour les critiques, et le public ? L’hybridation se réalise-t-elle toujours harmonieusement ? Ainsi, si un texte peut d’un point de vue générique combiner la participation à plusieurs genres n’y a-t-il pas des risques de conflits génériques, voire des incompatibilités ? Comment sont-ils négociés par les auteurs ?

Se pencher sur l’hybridité des genres littéraires revient à tenter d’éclairer à nouveaux frais l’identité du discours littéraire et son fonctionnement concret, qui relève de son inscription dans un champ de discours et de pratiques plus large que la seule littérature. En effet, les genres en fonction desquels les œuvres littéraires tendent à l’hybridation ne sont pas tous littéraires, loin s’en faut. La généricité se joue dès lors non seulement dans la trame des textes eux-mêmes, mais aussi, corollairement, dans la rencontre avec d’autres types de discours, d’autres médiums que le seul espace livresque, qui fournissent à la littérature leur propres répertoires de formes et de normes génériques.

Partant de ce constat, cette rencontre se concentrera sur l’étude de trois niveaux interdépendants d’hybridation générique des œuvres littéraires.

(1) Hybridations textuelles : quels sont les traits textuels de l’hybridation générique ? Y en a-t-il des marqueurs particuliers ? Quel est le rôle spécifique des éléments de paratexte – titres, préfaces, signatures, etc. – dans la configuration et le traitement des hybridités génériques ? Les auteurs tentent-ils de les mettre en évidence ou, au contraire, de masquer les disparités éventuelles qu’implique l’hybridité sur le plan de la généricité de leurs discours ?

(2) Hybridations discursives : dans quelle mesure et selon quelles modalités la participation d’un texte relevant du discours littéraire à d’autres champs discursifs – par exemple l’entretien d’écrivain, qui peut relever du domaine journalistique – affecte-t-elle sa généricité ? Selon quelles modalités le discours littéraire emprunte-t-il à des genres davantage associés à d’autres champs discursifs ? Dans ces circonstances placées sous le signe d’un dialogisme qui peut virer à l’hétéroglossie, comment la rencontre entre des systèmes de valeurs qui ne coïncident pas toujours s’opère-t-elle ?

(3) Hybridations médiatiques : de plus en plus depuis le XIXe siècle, la littérature a investi d’autres médiums que le livre, qu’il s’agisse de la presse, de la radio, du cinéma, de la télévision ou d’internet. La dimension intermédiale du discours littéraire s’en est trouvée particulièrement accrue. Les interactions du discours littéraire avec ces mediums ont affecté les genre traditionnels (impact du cinéma sur le roman, d’internet sur le journal intime…) et entraîné l’apparition de genres spécifiques, propres à certains médiums, ou fondés sur le modèle de genres propres à ces médiums (le roman graphique, le film d’essai, le cinéroman ou le cinépoème).

Bibliografie | Bibliographie

J.-M. Adam & U. Heidmann, Le Texte littéraire. Pour une approche interdisciplinaire, Louvain-la-Neuve, Academia Bruylant, 2009.
J.-M. Adam, Genre de récits. Narrativité et généricité des textes, Louvain-la-Neuve, Academia Bruylant, 2011.
“Enjeux discursifs de la généricité des textes. Entretien avec Jean-Michel Adam”, propos recueillis par D. Martens & G. Willem, Interférences littéraires/Literaire interferenties, 13, juin 2014, 195-223 – http://www.interferenceslitteraires.be/node/352
M. Allen, “Against ‘hybridity’ in Genre Studies : Blending as an Alternative Approach to Generic Experimentation”, Trespassing Journal, 2, “Trespassing Genre”, 2013 – http://trespassingjournal.com/?page_id=488
Bakhtin, Mikhail, The Dialogic Imagination: Four Essays, trans. C. Emerson & M. Holquist, Austin, University of Texas Press, 1981.
R. Baroni & M. Macé (eds.), Le Savoir des genres, Presses universitaires de Rennes, « La Licorne », 2007.
M. Basseler, A. Nünning & C. Schwanecke (eds.), The Cultural Dynamics of Generic Change: Theoretical Frameworks, Genres and Model Interpretations, Trier, Wissenschaflicher Verlag Trier, 2013.
W. C. Dimock & B. Robbins (eds.), “Remapping Genre”, Special issue of PMLA, 122, 5, 2007.
D. Maingueneau, Le Discours littéraire, Paris, A. Colin, 2004.
D. Maingueneau, “Genres de discours et modes de généricité”, Le Français aujourd’hui, 159, 2007, 29-35.
N. Fairclough, “Discursive Hybridity and Social Change in Critical Discourse Analysis”, in: Srikant Sarangi, Vanda Polese, Giuditta Caliendo (eds.), Genre(s) on the Move Hybridization and Discourse Change in Specialized Communication, Napoli, Edizioni Scientifiche Italiane, 2011, 11-26.
A. Fowler, Kinds of Literature: An Introduction to the Theory of Genres and Modes. London/New York: Oxford University Press, 1982.
C. Galster, Hybrides Erzählen und hybride Identität im britischen Roman der Gegenwart, Frankfurt am Main, Lang, 2001.
C. Geertz, “Blurred Genres: The Refiguration of Social Thought”, The American Scholar, 49, 1980, 165-179.
D. Grassian, Hybrid Fictions. American Literature and Generation X, London, McFarland, 2003.
M. Kraidy, Hybridity, or the Cultural Logic of Globalization, Philadelphia, Temple University Press, 2005.
H. Mancing, “Prototypes of genre in Cervantes’ Novelas ejemplares.” Cervantes: Bulletin of the Cervantes Society of America 20 (2), 2000, 127–150.
M. Monte & G. Philippe (eds.), Genres & textes, Lyon, Presses universitaires de Lyon, 2014.
J. Nederveen Pieterse, “Hybridity, So What?”, Theory, Culture & Society, 18, 2001, 219-245.
A. Nünning, “Crossing Borders and Blurring Genres”, European Journal of English Studies, 1, 1997, 217-238.
M. Sinding, “After Definitions: Genre, Categories, and Cognitive Science”, Genre, 35, 2002, 181-220.
T. Todorov, Les Genres du discours, Paris, Seuil, 1978.
H. Van Gorp & D. De Geest, “Literary genres from a systemic functional perspective”, European Journal of English Studies, 3 (1), 1999, 33-50.
H. White, “Anomalies of Genre: The Utility of Theory and History for the Study of Literary Genres”, New Literary History, 34, 4, 2003, 597–615.

 

Programma | Programme

Mgr. Sencie-Instituut, Erasmusplein 2, 3000 Leuven – lokaal 02.08 (Museumzaal)

 

9.00

Ontvangst | Accueil

9.30

Opening en inleiding | Ouverture et introduction: Reindert Dhondt (UU & KU Leuven) & David Martens (KU Leuven – MDRN)

10.00

Rita De Maeseneer (UA): De intermedial turn. Populaire muziek en literatuur in Latijns-Amerika

Kiene Brillenburg Wurth (UU): Hybriditeit en creativiteit

11.30

Pauze | Pause-café

11.45

Christophe Collard (VUB): Postdramatische paradoxen: mediëren tussen convergentie en divergentie

Lars Bernaerts (UGent): Het literaire hoorspel, hybride en multimodaal

13.15

Lunch

14.00

Christof Schöch (Universität Würzburg): Le roman policier français, genre hybride ?

Tom Serpieters (KU Leuven – MDRN): Hybridités génériques dans Variété de Paul Valéry (1924-1944)

15.30

Pauze | Pause-café

15.45

Eugenia Houvenaghel (UU): Essay en theater: Tomás Segovia

Dagmar Vandebosch (KU Leuven): Genre-hybriditeit in de hedendaagse Spaanstalige literatuur: essay en narratieve fictie

17.15

Slot | Clôture

 

Abstracts | Résumés

Het literaire hoorspel, hybride en multimodaal

Lars Bernaerts (Universiteit Gent)

Wie het hoorspel als casus neemt voor een studie van generische hybriditeit, constateert al snel dat het die ontleent aan zijn functie in twee generische omgevingen. Enerzijds is het hoorspel voor velen een literair genre en combineert het vanuit dat perspectief vooral epische trekken (bv. een extradiëgetische verteller, een episodische opbouw) met dramatische kenmerken (bv. het performatieve en collectieve karakter van het creatieproces). Anderzijds is het hoorspel een radiofonisch genre dat raakpunten vertoont met de radiodocumentaire, de radioreclamespot en het radio-interview. Daarnaast is het hoorspel de laatste decennia steeds meer bevrijd geraakt van de strikte associatie met de radio. Op podia en op het internet leidt het een leven los van de radio. In deze bijdrage wordt de generische hybriditeit van het literaire hoorspel vanuit die optiek benaderd. Literaire hoorspelen zijn hoorspelen met esthetische oogmerken en een dominante literaire component in het ontstaanproces, bijvoorbeeld een scenarioschrijver die voornamelijk als literair auteur herkend wordt of een brontekst die als literatuur beschouwd wordt.

De bijdrage stelt een multimodale en cognitieve aanpak voor om de generische hybriditeit van het hoorspel te conceptualiseren en analyseren. Multimodaliteit veronderstelt aandacht voor de uiteenlopende semiotische middelen die het hoorspel inzet voor literaire betekenisgeving, zoals stemgebruik, muziek en montage. ‘Cognitief’ veronderstelt in deze context dat genres functioneren als mentale schemata die geactiveerd worden in de interactie tussen luisteraar en luisterspel en die zo het begrip en de interpretatie van het stuk mede vormgeven. Aangezien elk individueel hoorspel in die opzichten een unieke mix vertoont, wordt de aanpak geconcretiseerd aan de hand van een reeks voorbeelden. Aan bod komen recente voorbeelden uit de Nederlanden, zoals performatieve hoorspelen van Saskia De Coster en Maarten Inghels, het Nederlandse Hugo Clausproject en de voor radio gemaakte hoorspelen van Kaweh Modiri en Ilja Leonard Pfeijffer.

 

Hybriditeit en creativiteit

Kiene Brillenburg Wurth (Universiteit Utrecht)

In 1950 hield de psycholoog Joy Paul Guilford een pleidooi voor creativiteit als focus in de psychologie. Creativiteit was van onschatbare waarde voor de economie, de wetenschap, de kunst en het onderwijs. Het was daarom van groot belang erachter te komen wat creativiteit precies was en hoe het kon worden verklaard en zelfs gemeten. Guilford ontdekte in zijn onderzoek dat creativiteit niet van genieën alleen was. Eerder was het een bepaalde gevoeligheid voor het oplossen van problemen die je bij heel veel mensen terug kon vinden: een vermogen tot divergent denken—dat wil zeggen een vermogen verschillende nieuwe, bruikbare oplossingen voor een probleem te bedenken.

1950 markeert een vroeg hoogtepunt van de Koude Oorlog. Ongetwijfeld moet de vlucht die het onderzoek naar creativiteit nam na de beroemde rede van Guilford geplaatst worden in het klimaat van die Koude Oorlog en de gevoelde noodzaak om de ‘vrije wereld’ op alle mogelijke manieren voorop te laten lopen. In diezelfde periode, grofweg vanaf 1950, zien we de literatuur, kunst, en muziek mede door een reeks technologische vernieuwingen een wervelende ontwikkeling doormaken: nieuwe genres, zelfs nieuwe kunstvormen komen tot stand in de wisselwerking tussen de ‘oude’ kunsten en de nieuwe media, van geluids- tot digitale technologie. In die tweede helft van de 20ste eeuw wordt de literatuur dan ook een uitgesproken hybride kunstvorm, of het nu gaat om geluidspoëzie, visuele autobiografie, grafische romans, concrete poëzie, fotoromans, of de eerste digitale gedichten uit de jaren ‘80. Wat hier gebeurde is wat psychologen conceptual blending hebben genoemd met betrekking tot creativiteit: elementen uit verschillende velden worden gecombineerd tot iets nieuws—iets nieuws dat bestaande raamwerken in de literatuur, kunst, en muziek ingrijpend heeft getransformeerd.

In mijn lezing benader ik hybriditeit in de Europese literatuur na WOII binnen het kader van het naoorlogse onderzoek naar creativiteit in de psychologie en cognitieve theorie. Ik laat zien hoe hybride werken uit deze periode ons kunnen helpen om creativiteit te ontrafelen als een motor van vernieuwing—hoe hybride werken nieuwe vormen van creativiteit hebben voortgebracht in het late elektronische tijdperk. Daarmee wil ik het belang van literatuur in onze hedendaagse cultuur benadrukken, waarin creativiteit verder reikt dan de kunsten, naar het oplossen van complexe problemen van onze tijd.

 

Postdramatische paradoxen: mediëren tussen convergentie en divergentie

Christophe Collard (Vrije Universiteit Brussel)

Theaterwetenschapster Bonnie Marranca ontwikkelde enkele jaren geleden het begrip mediaturgie om de aandacht te vestigen op een a-lineaire en pluri-mediale compositiemethode binnen het zogenaamde ‘postdramatische theater’ die zich onderscheidt door te communiceren via simultaneïteit (Marranca, 2008). Voor regisseur en ‘mediaturg’ John Jesurun verschuift dergelijk perspectief automatisch de aandacht van het artistiek werk als betekenisdrager naar processen van betekenisgeving (Jesurun, 1993), niet in het minst omdat mediaturgie de toeschouwer iedere illusie van exhaustieve interpretatie ontneemt. Als paradoxale creaties die een kwetsbare spanning ensceneren tussen formele complexiteit, generische hybriditeit en processuele logica dragen ze zo in zich een beduidend heuristisch potentieel.

Toch kan deze inherente reflexiviteit niet geactiveerd worden zonder eerst een vorm van herkenning tot stand te brengen – een wisselwerking, als het ware, tussen conventie en creativiteit. Volgens theaterfenomenoloog Bert O. States is dit laatste niets minder dan een evidentie. De theatrale betekenisdrager functioneert namelijk als een Januskop doorheen de spanning die wordt gecreëerd tussen materialiteit van het teken en haar indexfunctie (States, 1982), waardoor het geëvoceerde betekenispotentieel zich uitstrekt over verschillende betekenissystemen en referentiekaders.

‘Postdramatische mediaturgie’ onderstreept States’ stelling via een visuele en viscerale rationale die eendimensionele verwijzingen problematiseert hoewel de communicatieve relatie nooit wordt onderbroken. Integendeel, doordat het gevoel van sensoriële overdadigheid afkomstig is van een hybridiserende spanning tussen ‘live performance’ en ‘live media’ medieert de postdramatische productie haar eigen creatieve proces als een vorm van convergentie die louter divergente interpretaties tot stand kan en wil brengen. Volgens convergentie-theoreticus Henry Jenkins mag dit gewilde gebrek aan eenduidigheid echter niet opgevat worden als een beperking omdat de betekenisgevende strategieën die zo gegenereerd worden een emanciperend effect hebben (Jenkins, 2006).

Selectieve bibliografie

Jenkins, Henry. Convergence Culture: Where Old and New Media Collide. New York: NYU Press, 2006.

Jesurun, John. “Breaking the Relentless Spool of Film Unrolling.” Felix 1.3 (1993): 64-69.

Marranca, Bonnie. “Mediaturgy: A Conversation with Marianne Weems.” Performance Histories. Ed. Bonnie Marranca. New York: PAJ, 2008: 89-106.

States, Bert O. Great Reckonings in Little Rooms: On the Phenomenology of Theatre. Berkeley: University of California Press, 1982.

 

De intermedial turn. Populaire muziek en literatuur in Latijns-Amerika

Rita De Maeseneer (Universiteit Antwerpen)

In deze bijdrage wil ik reflecteren over de manier waarop de “intermedial turn” zich heeft voorgedaan binnen de recente Latijns-Amerikaanse literatuur, en in het bijzonder de literatuur van de Caraïben. Ik beperk me tot de relatie tussen literatuur en (Latijns-Amerikaanse) populaire muziek. Mijn hypothese is dat er een evolutie kan worden geschetst in de manier waarop Latijns-Amerikaanse populaire muziekgenres met literatuur worden samengebracht. Vanaf de jaren zeventig tot de eeuwwisseling gebruikten postmoderne auteurs (in de Latijns-Amerikaanse literatuur, de schrijvers van de postboom genoemd ) vaak citaten van populaire muziek in hun romans, zelfs soms al vanaf de titel. Dit behoort tot wat Wolf in “(Inter)mediality and the Study of Literature” (2005) de “impliciete intermediale referenties” binnen de intra-compositionele intermedialiteit noemt. Het inbrengen van populaire muziekgenres zoals bolero, een romantisch muziekgenre, salsa of guaracha, was niet alleen een manier om een plaats te geven aan een belangrijke pijler in het collectieve geheugen van Latijns-Amerika, maar stond vaak in functie van subversieve strategieën (feminisme, subalterniteit, queering). Ook al moet nog meer onderzoek worden verricht, stel ik dat Latijns-Amerikaanse populaire muziek in de romans van de eenentwintigste eeuw minder wordt gebruikt. De al gevestigde populaire genres hebben hun subversieve zeggingskracht enigszins verloren. Nieuwere genres zoals hip hop of reggaetón lijken minder direct een klankbord te krijgen in de literatuur, ook al dienen ze soms nog wel als ritmische inspiratiebron of is er eerder sprake van “plurimedialiteit” in expressievormen zoals Spoken Poetry. De verklaring voor deze evolutie is niet zo eenduidig, het kan te maken hebben met globalisering, andere accenten in de Latijns-Amerikaanse literatuur (aandacht voor het subjectieve en metaliteraire), de dalende rol van literatuur als medium, de vervaging van de grenzen tussen verschillende tekstvormen en het belang van nieuwe digitale media.

 

Essay en theater: Tomás Segovia

Eugenia Houvenaghel (Universiteit Utrecht)

Hoewel de Spaans-Mexicaanse auteur Tomás Segovia (Valencia 1927 - México 2011) slechts één dramaturgisch werk heeft gepubliceerd, is theater een sterk aanwezige component in zijn hele essayistisch oeuvre. In deze bijdrage willen we onderzoeken of de invloed van theater op Segovia’s essays verder gaat dan het louter thematische. Hebben dramaturgische elementen een weerslag op structuur en vorm van Segovia’s essays? Houdt de manier waarop Segovia zichzelf, de lezer en andere deelnemers in de essayistische interactie construeert, verband met de dramaturgische wisselwerking tussen de regisseur, het spel van acteurs en de toeschouwer? Welke invloed heeft Sartres ‘theatre of situations’ op Segovia’s concept van het dramaturgische genre? En, tenslotte, wat leert deze analyse ons over Segovia’s opvattingen over de verhouding tussen essay en theater? Dat zijn de onderzoeksvragen die centraal staan in deze analyse waarin we ons toespitsen op het volume Poëzie en profetie (Poética y profética, 1985), één van Segovia’s essaybundels waarin theater het meest prominent aanwezig is.

Selectieve bibliografie

Sartre, Jean-Paul. 1973. Un théâtre de situations. Paris: Gallimard.
Segovia, Tomás. 1985. Poética y profética. México: Fondo de Cultura Económica.
Segovia, Tomás. 1989. Ensayos I. Actitudes/Contracorrientes. México: Universidad Autónoma Metropolitana.
Segovia, Tomás. 1990. Ensayos II. Trilla de asuntos. México: Universidad Autónoma Metropolitana.
Segovia, Tomás. 1991. Ensayos III. Sextante. México: Universidad Autónoma Metropolitana.
Segovia, Tomás. 2005. Zamora bajo los astros. México: Conaculta.

 

Le roman policier français, genre hybride ?

Christof Schöch (Julius-Maximilians-Universität Würzburg)

L’histoire du roman policier peut être écrite selon deux grandes perspectives, comme l’histoire soit d’une émancipation, soit d’une assimilation. La perspective de l’émancipation décrit l’apparition et l’évolution du genre policier comme une prise de distance et une autonomisation progressives du roman policier par rapport à la littérature romanesque contemporaine. Selon cette perspective, le roman policier émerge progressivement des genres romanesques existants, comme le roman d’aventure, le roman-feuilleton ou le récit criminel, pour se constituer en genre propre, stable et clairement reconnaissable. Il développerait un certain nombre de marques caractéristiques concernant son histoire, ses thèmes, ses personnages et sa structure. C’est dans cette perspective que Jean-Claude Vareille écrit : “L’énigme et sa solution juxtaposée, c’est du feuilleton ; la lente transformation de l’énigme en sa solution et donc sa dissolution progressive, c’est du roman policier” (Vareille 1986:31, voir aussi Dubois 2005). La perspective de l’assimilation, par contraste, considère que l’histoire du roman policier est celui d’un genre conquérant progressivement les moyens, les thèmes, les formes et aussi la diversité de la littérature romanesque générale qui, du reste, ne cesse de s’inspirer également du roman policier. Cela conduit le genre policier à devenir de plus en plus similaire, ou du moins d’une complexité et d’une variété similaires, à la littérature romanesque contemporaine. La différenciation du genre policier en roman de détection, roman à suspense et thriller (Reuter 1999) serait un signe parmi d’autres d’une telle assimilation. Dans l’hypothèse de l’émancipation, l’hybridité générique du roman policier s’amenuiserait au cours de l’évolution du genre tandis que sa différence au roman contemporain s’accroîtrait. Dans l’hypothèse de l’assimilation, au contraire, l’hybridité s’acroîtrait tandis que la différence s’amenuiserait.

L’objectif de la présente contribution est d’éprouver ces deux hypothèses contrastives en s’appuyant sur une collection de 500 romans policiers et non-policiers publiés entre 1850 et 2010 et en utilisant des méthodes quantitatives pour leur analyse. La principale difficulté, dans ce contexte, concerne la modélisation de l’hybridité générique, c’est-à-dire de définir des indicateurs analytiques à la fois pertinents pour le concept de l’hybridité générique et passibles d’être relevés et quantifiés de manière automatique (voir, sur la modélisation, McCarty 2008). Pour capter deux niveaux différents d’analyse, stylistique et thématique, la présente contribution propose d’utiliser les techniques de la stilométrie et du topic modeling pour établir de tels indicateurs. La stilométrie (voir Juola 2006, Stamatatos 2009) établit un profil caractéristique de chaque texte dans une collection de textes sur la base des fréquences notamment des mots grammaticaux. Le topic modeling (voir Blei 2012, Griffiths & Steyvers 2009), au contraire, découvre les thèmes récurrents dans une collection de textes et attribue à chaque texte une distribution caractéristique de ces thèmes. S’appuyant tour à tour sur les profils stilométriques et les distributions de topics, la présente contribution établira d’une part le degré de similarité stilistique et thématique entre romans policiers et romans contemporains, au fil du temps. Elle qualifiera d’autre part le degré de variabilité stilistique et thématique des deux groupes de romans, également dans son évolution au fil du temps. Sur la base des résultats provenant de ces indicateurs, certes imparfaits, de l’hybridité générique, la contribution proposera un début de réponse à la question posée par les deux hypothèses contrastives sur l’histoire du roman policier français.

Bibliographie sélective

Blei, David M. « Probabilistic Topic Models. » Communications of the ACM 55, nᵒ 4 (2012): 77-84. doi:10.1145/2133806.2133826.

Dubois, Jacques. Le roman policier, ou la modernité. Le texte à l’œuvre. Paris: Colin, 2005.

Juola, Patrick. « Authorship Attribution. » Foundations and Trends in Information Retrieval 1, nᵒ 3 (2006): 233-334.

McCarty, Willard. « Knowing...: Modeling in Literary Studies. » In A Companion to Digital Literary Studies, édité par Ray Siemens et Susan Schreibman. Oxford: Blackwell, 2008. http://digitalhumanities.org/companion/DLS/. Reuter, Yves. Le roman policier. Paris: Nathan, 1999.

Stamatatos, Efstathios. « A Survey of Modern Authorship Attribution Methods. » Journal of the Association for Information Science and Technology 60, nᵒ 3 (2009): 538-56. doi:10.1002/asi.v60:3.

Steyvers, Mark, et Tom Griffiths. « Probabilistic Topic Models. » In Latent Semantic Analysis: A Road to Meaning, édité par T. Landauer, D. McNamara, S. Dennis, et W. Kintsch. Laurence Erlbaum, 2006.

Vareille, Jean-Claude. « Préhistoire du roman policier. » Romantisme, nᵒ 53 (1986): 23-36.

 

Hybridités génériques dans Variété de Paul Valéry (1924-1944)

Tom Serpieters (KU Leuven)

Au cours des dernières années, plusieurs excellents chercheurs ont entrepris de définir l’essai à travers l’adoption de perspectives éclairantes quant à l’étude des genres littéraires. Cependant, selon Jean Starobinski, dans Peut-on définir l’essai ?, l’idée de catégoriser un tel genre serait foncièrement vouée à l’échec. Toute réflexion sur ce genre résolument marqué par la liberté est tenu de prendre en considération l’idée d’hybridité générique.

De ce point de vue, le volumineux recueil d’essais de Paul Valéry intitulé Variété apparaît comme un cas de figure des plus intéressants. Présentés par l’auteur aussi bien que par l’éditeur comme un tout unifié (à travers son titre unique, notamment), Variété n’est pas seulement le fruit d’un effort inscrit dans la longue durée (5 volumes publiés en 1924 et 1944), mais aussi un ensemble particulièrement hétérogène en vertu de la diversité des types de textes qu’il rassemble (conférences, préfaces, lettres, pièces de théâtre…) et qui ont été écrit en fonction de circonstances et occasions variées.

Le cas de Valéry soulève plusieurs questions qui doivent être envisagées avec attention. Comment cette revendication d’homogénéité doit-elle être comprise au regard de l’hétérogénéité manifeste du recueil ? Comment Valéry compose-t-il avec cette tension ? Enfin, que révèle cette tension quant à la conception et à la pratique de l’essai de l’écrivain et, plus largement, concernant sa conception de la littérature, qui constitue l’un des sujets de réflexion privilégié de ses essais.

 

Genre-hybriditeit in de hedendaagse Spaanstalige literatuur: essay en narratieve fictie

Dagmar Vandebosch (KU Leuven)

In zijn essay “Over parasieten, mutaties en plagen: aantekeningen voor een kunst van de roman”, neemt Jorge Volpi zich op de hem kenmerkende ironische wijze voor de moderne roman vanuit evolutionair standpunt te bestuderen. Hij komt daarbij tot het besluit dat het genre slechts gered zal worden door zijn vermogen om te muteren. Meer bepaald ziet Volpi een garantie voor het voortbestaan van het genre in de kruising tussen essay en roman die volgens hem de “betere” hedendaagse Spaanstalige literatuur kenmerkt.

Vertrekkende van het wat intuïtieve onderscheid dat Volpi maakt tussen “romans met essayistische passages”, “narratieve essays” en “werkelijk hybride exemplaren” (2008: 32), zal mijn bijdrage bestuderen welke vormen deze hybriditeit tussen het essayistische en het narratief-fictionele discours aanneemt in de hedendaagse Spaanstalige literatuur. Ik zal me daarbij concentreren op drie vormen van generische hybriditeit, die telkens aan de hand van het werk van één auteur zullen worden toegelicht: de digressieve roman (Javier Marías); de ‘roman-essay’ (Antonio Muñoz Molina) en het fictionele essay (Jorge Volpi). De aandacht gaat daarbij niet enkel uit naar formele aspecten van hybriditeit, maar ook naar de functionele dimensie: welke rol vervullen genres (en/of discursieve modaliteiten) in de constructie en interpretatie van betekenis? Zoals de nuancering in voorgaande zin al aangeeft, zal ik daar bij geen strikte definitie hanteren van de genres van het essay en de roman, maar eerder een onderscheid maken tussen essayistische en narratieve vertogen enerzijds, en fictionele en niet-fictionele teksten, anderzijds.

Selectieve bibliografie

AAVV. La novela digresiva en España. Puerta de Santa María: Fundación Luis Goytisolo, 2005.

Castilleja, Diana, Houvenaghel, Eugenia y Dagmar Vandebosch. 2012. El ensayo hispánico: cruces de géneros, síntesis de formas. Genève: Droz.

Grohmann, Alexis. 2011. Literatura y errabundia (Javier Marías, Antonio Muñoz Molina y Rosa Montero). Amsterdam: Rodopi.

Oliver, María Paz. 2014. El arte de ir por las ramas. La digresión en la novela latinoamericana contemporánea. Tesis doctoral inédita. KU Leuven.

Volpi, Jorge. 2008. “Parásitos, mutaciones y plagas: Notas sobre el arte de la novela”. Anales de Literatura Hispanoamericana 37, 19-33.

Deze studiedag wordt georganiseerd door de Vlaamse Vereniging voor Algemene en Vergelijkende Literatuurwetenschap (VAL – www.val.ugent.be) in samenwerking met de onderzoeksgroep MDRN (www.mdrn.be) van de KU Leuven en schrijft zich in in de  Interuniversitaire Attractiepool Literature and Media Innovation (LMI – http://lmi.arts.kuleuven.be), die gefinancierd wordt door het Federaal Wetenschapsbeleid (www.belspo.be).

Cette journée est organisée par l’Association Flamande de Littérature Générale et Comparée (VAL – www.val.ugent.be) en collaboration avec le groupe MDRN (www.mdrn.be) de la KU Leuven et s’inscrit dans le cadre du Pôle d'attraction interuniversitaire Literature and Media Innovation (LMI – http://lmi.arts.kuleuven.be), qui est financé par la Politique scientifique fédérale belge (www.belspo.be).